Gebruik deze skill altijd wanneer de gebruiker vragen stelt over het adviesrapport "Burgerschapsonderwijs in een veranderende samenleving" (herijking kwalificatie-eisen burgerschapsonderwijs mbo), of wanneer het gaat over burgerschapsonderwijs in het mbo, de nieuwe kwalificatie-eisen burgerschap, de vier thema's (Verschil en gelijkwaardigheid, Individu en groep, Maatschappijvisies en maatschappelijke vraagstukken, Macht en besluitvorming), examinering van burgerschap, de wettelijke schoolopdracht, of de aanbevelingen van de expertgroep. Gebruik ook wanneer gevraagd wordt om lessen, toetsen, samenvattingen of andere uitwerkingen op basis van dit adviesrapport te maken. Gebruik ook wanneer gevraagd wordt naar de herformulering van de kwalificatie-eisen (Expertisecentrum Nederlands, april 2024), de vereenvoudigde doelzinnen op B1/B2-niveau, of de begrippen- en werkwoordenlijst bij de kwalificatie-eisen.
Dit rapport is het advies van een expertgroep van twaalf docenten, lerarenopleiders en onderzoekers, opgesteld in opdracht van het ministerie van OCW (mei 2022 – mei 2023). Het bevat een herijking van de kwalificatie-eisen voor burgerschapsonderwijs in het mbo en aanbevelingen over examinering en de wettelijke schoolopdracht.
De huidige kwalificatie-eisen hebben vier bezwaren:
Burgerschap = het ideaal van vrije en gelijke mensen die gezamenlijk de samenleving vormgeven, zowel in verhouding tot elkaar als tot de overheid.
Burgerschapsonderwijs beoogt drie doelen in balans:
De school als oefenplaats voor burgerschap: democratische cultuur, sociale veiligheid, academische vrijheid.
Elk thema heeft vijf componenten: kennis (2x) · veranderbaarheid · ervaringen · standpunt en handelingsmogelijkheden
Spanning tussen pluraliteit (ruimte voor verschil) en gelijkwaardigheid (gelijke kansen).
Spanning tussen individuele en collectieve belangen (zichtbaar bij werk, inkomen, sociale zekerheid).
Hoe mensen naar de wereld kijken (pluriformiteit); welke visies doorwerken in beleid en praktijk.
Machtsverhoudingen bij (mede)zeggenschap en besluitvorming; de democratische rechtsstaat als kader.
Advies: Invoer van een instellingsexamen (geen centraal examen).
De burgerschapsopdracht voor mbo-instellingen moet geëxpliciteerd worden in de WEB, met twee elementen:
Het ministerie van OCW heeft het Expertisecentrum Nederlands gevraagd de originele doelzinnen te herformuleren naar ERK-taalniveau B1/B2, zodat ze beter leesbaar zijn voor mbo-docenten en coördinatoren Burgerschap. Onderstaande herformuleringen zijn de definitieve voorstellen (Voorstel 3).
Gebruik deze herformuleringen wanneer gevraagd wordt naar de vereenvoudigde versies van de kwalificatie-eisen, of wanneer lesmaterialen, toetsen of handreikingen worden gemaakt.
A.1 (origineel): De student onderbouwt met voorbeeldgevallen hoe mensen en groepen verschillend mogen zijn én hoe pluraliteit begrensd wordt vanwege het principe van gelijkwaardigheid.
A.1 (herformulering): De student onderbouwt enerzijds hoe personen en groepen van elkaar kunnen en mogen verschillen en anderzijds welke grenzen er zijn aan pluraliteit. Het uitgangspunt bij deze onderbouwing is het principe van gelijkwaardigheid.
A.2 (origineel): De student onderbouwt met voorbeeldgevallen hoe in- en uitsluiting werkt en hoe verschil en gelijkwaardigheid daarmee samenhangen.
A.2 (herformulering): De student onderbouwt hoe in- en uitsluiting van personen en groepen werkt. Daarbij onderbouwt de student hoe verschillen en gelijkwaardigheid tussen mensen kunnen leiden tot situaties van in- en uitsluiting en ook omgekeerd: hoe in- en uitsluiting kan leiden tot verschillen en gelijkwaardigheid tussen mensen.
A.3 (origineel): De student onderbouwt hoe maatschappelijke ontwikkelingen een rol spelen bij de spanning tussen verschil en gelijkwaardigheid en welke bijdrage (groepen) mensen op die ontwikkelingen hebben (gehad).
A.3 (herformulering): De student onderbouwt hoe maatschappelijke ontwikkelingen een rol spelen bij de spanning tussen verschil en gelijkwaardigheid. De student onderbouwt ook hoe personen en groepen invloed op deze maatschappelijke ontwikkelingen hebben of hebben gehad.
A.4 (origineel): De student verkent (eigen) ervaringen en onderneemt activiteiten binnen spanningen tussen verschil en gelijkwaardigheid en verbindt deze met gebeurtenissen in samenleving en beroep.
A.4 (herformulering): De student verkent ervaringen van zichzelf of van anderen met spanningen tussen verschil en gelijkwaardigheid. De student voert activiteiten uit die te maken hebben met deze spanningen. De student legt daarbij de relatie met gebeurtenissen in de samenleving en de beroepspraktijk.
A.5 (origineel): De student verkent diens standpunten en ontwikkelt handelingsmogelijkheden bij vraagstukken waar verschil en gelijkwaardigheid op gespannen voet staan en beschrijft hoe deze standpunten en handelingsmogelijkheden zich verhouden tot democratische waarden en dilemma's.
A.5 (herformulering): De student verkent eigen standpunten bij vraagstukken waarbij verschillen en gelijkwaardigheid tussen personen en groepen op gespannen voet met elkaar staan. De student ontwikkelt ook handelingsmogelijkheden bij deze vraagstukken. De student beschrijft hoe eigen standpunten en handelingsmogelijkheden zich verhouden tot democratische waarden en dilemma's.
B.1 (origineel): De student onderbouwt met voorbeeldgevallen hoe spanning kan ontstaan tussen individuele en collectieve belangen.
B.1 (herformulering): De student onderbouwt hoe spanning kan ontstaan tussen individuele en collectieve belangen.
B.2 (origineel): De student onderbouwt met voorbeeldgevallen hoe overheden en gemeenschappen via regels omgaan met spanningen tussen individuele en collectieve belangen.
B.2 (herformulering): De student onderbouwt hoe overheden en gemeenschappen door gebruik van regels omgaan met spanningen tussen individuele en collectieve belangen.
B.3 (origineel): De student onderbouwt hoe maatschappelijke ontwikkelingen een rol spelen in hoe het (tijdelijke) evenwicht tussen individuele en collectieve belangen wordt bepaald en welke bijdrage (groepen) mensen op die ontwikkelingen hebben (gehad).
B.3 (herformulering): De student onderbouwt hoe maatschappelijke ontwikkelingen een rol spelen in hoe het (tijdelijke) evenwicht tussen individuele en collectieve belangen wordt bepaald. De student onderbouwt ook hoe personen en groepen invloed op deze maatschappelijke ontwikkelingen hebben of hebben gehad.
B.4 (origineel): De student verkent (eigen) ervaringen met en onderneemt activiteiten binnen spanningen tussen individuele en collectieve belangen en verbindt deze met gebeurtenissen in samenleving en beroep.
B.4 (herformulering): De student verkent ervaringen van zichzelf of van anderen met spanningen tussen individuele en collectieve belangen. De student voert activiteiten uit die te maken hebben met deze spanningen. De student legt daarbij de relatie met gebeurtenissen in de samenleving en de beroepspraktijk.
B.5 (origineel): De student verkent diens standpunten en ontwikkelt handelingsmogelijkheden bij vraagstukken waar individuele en collectieve belangen op gespannen voet staan en beschrijft hoe deze standpunten en handelingsmogelijkheden zich verhouden tot democratische waarden en dilemma's.
B.5 (herformulering): De student verkent eigen standpunten bij vraagstukken waarbij individuele en collectieve belangen op gespannen voet met elkaar staan. De student ontwikkelt handelingsmogelijkheden bij deze vraagstukken. De student beschrijft hoe eigen standpunten en handelingsmogelijkheden zich verhouden tot democratische waarden en dilemma's.
C.1 (origineel): De student onderbouwt met voorbeeldgevallen hoe vanuit verschillende maatschappijvisies gekeken kan worden naar maatschappelijke vraagstukken en bijbehorende oplossingsrichtingen.
C.1 (herformulering): De student onderbouwt hoe vanuit verschillende maatschappijvisies gekeken kan worden naar maatschappelijke vraagstukken en bijbehorende ideeën voor oplossingen.
C.2 (origineel): De student onderbouwt met voorbeeldgevallen hoe actie, beleid en regelgeving beogen bij te dragen aan (deel)oplossingen van maatschappelijke vraagstukken.
C.2 (herformulering): De student onderbouwt hoe activiteiten, beleid en regelgeving bedoeld zijn om te helpen bij (deel)oplossingen van maatschappelijke vraagstukken.
C.3 (origineel): De student onderbouwt hoe maatschappelijke ontwikkelingen een rol spelen in hoe maatschappijvisies en maatschappelijke ordeningen vorm krijgen en welke bijdrage (groepen) mensen op die ontwikkelingen hebben (gehad).
C.3 (herformulering): De student onderbouwt hoe maatschappelijke ontwikkelingen een rol spelen in hoe maatschappijvisies en maatschappelijke ordeningen vorm krijgen. De student onderbouwt ook hoe personen en groepen invloed op deze maatschappelijke ontwikkelingen hebben of hebben gehad.
C.4 (origineel): De student verkent (eigen) ervaringen met verschillende maatschappijvisies en maatschappelijke ordeningen en verbindt deze met gebeurtenissen in samenleving en beroep.
C.4 (herformulering): De student verkent ervaringen van zichzelf of van anderen met verschillende maatschappijvisies en maatschappelijke ordeningen. De student legt daarbij de relatie met gebeurtenissen in de samenleving en de beroepspraktijk.
C.5 (origineel): De student verkent diens standpunten en ontwikkelt handelingsmogelijkheden ten aanzien van maatschappelijke vraagstukken en oplossingsrichtingen en beschrijft hoe deze standpunten en handelingsmogelijkheden zich verhouden tot democratische waarden en dilemma's.
C.5 (herformulering): De student verkent eigen standpunten over maatschappelijke vraagstukken en ideeën voor oplossingen. De student ontwikkelt handelingsmogelijkheden bij deze vraagstukken en ideeën voor oplossingen. De student beschrijft hoe eigen standpunten en handelingsmogelijkheden zich verhouden tot democratische waarden en dilemma's.
D.1 (origineel): De student onderbouwt met voorbeeldgevallen hoe (mede)zeggenschap en besluitvorming in verschillende situaties vorm krijgen, welke belangen deze weerspiegelen en welke voor- en nadelen aan deze vormgeving verbonden zijn.
D.1 (herformulering): De student onderbouwt hoe vormen van (mede)zeggenschap en besluitvorming in verschillende situaties ontstaan. De student onderbouwt ook welke belangen in deze vormen te herkennen zijn en welke voor- en nadelen er zijn aan deze vormen.
D.2 (origineel): De student onderbouwt met voorbeeldgevallen hoe macht zich manifesteert en kan worden begrensd door democratische en rechtsstatelijke principes.
D.2 (herformulering): De student onderbouwt hoe macht zichtbaar wordt en hoe democratische en rechtsstatelijke principes ervoor zorgen dat er grenzen zijn aan macht.
D.3 (origineel): De student onderbouwt hoe maatschappelijke ontwikkelingen een rol spelen in vormen van macht en besluitvorming en welke bijdrage (groepen) mensen op die ontwikkelingen hebben (gehad).
D.3 (herformulering): De student onderbouwt hoe maatschappelijke ontwikkelingen een rol spelen in vormen van macht en besluitvorming. De student onderbouwt ook hoe personen en groepen invloed op deze maatschappelijke ontwikkelingen hebben of hebben gehad.
D.4 (origineel): De student verkent (eigen) ervaringen met vormen van macht en besluitvorming en verbindt deze met gebeurtenissen in samenleving en beroep.
D.4 (herformulering): De student verkent ervaringen van zichzelf of van anderen met vormen van macht en besluitvorming. De student legt daarbij de relatie met gebeurtenissen in de samenleving en de beroepspraktijk.
D.5 (origineel): De student verkent diens standpunten en ontwikkelt handelingsmogelijkheden bij het uitoefenen van macht en invloed ten aanzien van besluitvorming en beschrijft hoe deze standpunten en handelingsmogelijkheden zich verhouden tot democratische waarden en dilemma's.
D.5 (herformulering): De student verkent eigen standpunten over het gebruiken van macht en invloed die gericht is op besluitvorming. De student ontwikkelt handelingsmogelijkheden om macht en invloed te gebruiken bij besluitvorming. De student beschrijft hoe deze standpunten en handelingsmogelijkheden zich verhouden tot democratische waarden en dilemma's.
Deze lijsten zijn geen vastomlijnde definities, maar toelichtingen ter ondersteuning bij het lezen en begrijpen van de kwalificatie-eisen.
| Begrip | Toelichting |
|---|---|
| Collectieve belangen | Iets wat een groep mensen of een gemeenschap belangrijk vindt. Gericht op het nut of voordeel van een hele groep, niet slechts op belangen van individuen binnen die groep. |
| Individuele belangen | Iets wat een persoon belangrijk vindt. Gericht op het nut of voordeel van iemand, niet op de belangen van een groep mensen of gemeenschap. |
| Het principe van gelijkwaardigheid | Uitgangspunt waarin mensen niet alleen gelijk zijn voor de wet, maar in al hun verscheidenheid door anderen met gelijke waardigheid worden behandeld. |
| Verschillen | Verscheidenheid. De maatschappij kenmerkt zich onder andere door het samenleven van mensen met verschillende achtergronden, gedragspatronen, opvattingen, waarden, belangen en mogelijkheden. |
| Gemeenschap | Een groep bestaande uit mensen die zich op een bepaalde manier tot elkaar verhouden, doordat ze iets delen of zich verbonden voelen (op basis van geloof, taal, familie, tradities, overtuigingen). |
| Maatschappelijke ordeningen | De structuren en kaders die mensen creëren om het samenleven te laten functioneren, zoals de manier waarop economische, politieke, juridische, sociale en culturele systemen zijn ingericht. |
| Pluraliteit | De erkenning van diversiteit in meningen, opvattingen, behoeften, belangen en identiteiten en het onderschrijven van het belang dat er verschillende perspectieven bestaan. |
| Regelgeving | Het voorschrijven van regels of wetten door een autoriteit om gedrag te reguleren. |
| Maatschappelijke vraagstukken | Ingewikkelde maatschappelijke of politieke kwesties waar oplossingen voor gezocht moeten of kunnen worden. Een relatief grote groep mensen ervaart deze situatie als ongewenst. Mensen zijn het vaak niet eens over hoe de situatie opgelost kan worden. |
| Democratische waarden | Aan een democratische rechtsstaat liggen verschillende waarden ten grondslag: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, pluraliteit, volkssoevereiniteit, rechtszekerheid en machtenscheiding. Een minimum van deze waarden moet aanwezig zijn voor het functioneren van een democratische rechtsstaat. |
| Democratische dilemma's | Tussen democratische waarden bestaat inherente spanning. De waarden kunnen niet allemaal tegelijk in grote mate bestaan; er moet een afweging gemaakt worden tussen de nadruk op bepaalde waarden. |
| Democratische en rechtsstatelijke principes | Democratische waarden worden vertaald in uitgangspunten die de basis van de democratische rechtsstaat vormen. Voorbeelden: meerderheidsbesluitvorming, rekening houden met minderheden en een toegankelijke rechter. |
| In- en uitsluiting | Voor het menselijk samenleven is groepscohesie van belang. Daarbij moeten groepen mensen insluiten om onderdeel van de groep te kunnen zijn; daar hoort ook bij dat andere mensen uitgesloten worden. Iemand kan in de ene context uitgesloten zijn en in een andere context niet. |
| Spanning(en) | Bij maatschappelijke en politieke vraagstukken moeten keuzes gemaakt worden waarbij meerdere waarden en belangen een rol spelen, en die niet tegelijkertijd benadrukt kunnen worden. Dan ontstaat er spanning tussen waarden en/of belangen. |
| Handelingsmogelijkheden | Kenmerkend aan een democratie is dat burgers mogelijkheden hebben (op buurt-, werk-, landelijk en internationaal niveau) om regelgeving te beïnvloeden of morele keuzes te maken en op basis daarvan te handelen bij een vraagstuk. |
| Maatschappijvisies | Over maatschappelijke ordeningen bestaan verschillende visies over de ordening van de economie, politiek en samenleving, en hoe een goede samenleving eruit ziet. De visies die dit omschrijven zijn maatschappijvisies. |
| (Mede)zeggenschap | In een democratie is zeggenschap van burgers essentieel. Het betekent dat zij, met anderen, inspraak hebben in wat er in een gemeenschap gebeurt. |
| Macht | Macht gaat over het vermogen om het handelen van anderen te beïnvloeden. Mensen zetten hiervoor verschillende machtsbronnen in, zoals de kennis die ze hebben, hun bevoegdheden, hun geld of hun sociale netwerk. |
| Besluitvorming | Het proces waarbij keuzes worden gemaakt die gelden voor een groep, gemeenschap of organisatie. |
| Belangen | Zaken die voor een persoon, groep of gemeenschap van waarde zijn en die zij willen beschermen of bevorderen. |
| Evenwicht | Een situatie waarin tegengestelde krachten, belangen of waarden elkaar in balans houden. In de kwalificatie-eisen gaat het om het (tijdelijke) evenwicht tussen individuele en collectieve belangen. |
| Werkwoord | Toelichting |
|---|---|
| Onderbouwen | De student laat zien gebruik te kunnen maken van informatie uit bronnen om een concept te beschrijven of met redeneringen aan te geven hoe fenomenen werken. |
| Verkennen | Verkennen van ervaringen: De student bemerkt en verwoordt welke ervaringen relevant en van betekenis zijn. Verkennen van standpunten: De student bemerkt en verwoordt eigen standpunten en die van een ander. |
| De relatie leggen met | De student legt uit wat de relatie is tussen opgedane ervaringen enerzijds en gebeurtenissen in de samenleving of beroep anderzijds. |
| Ontwikkelen | De student breidt eigen mogelijkheden uit om bij te kunnen dragen aan de aanpak of oplossing van een maatschappelijk vraagstuk. |
| Vorm krijgen | Het proces waarbij iets concrete gestalte aanneemt; hoe iets zich in de praktijk ontwikkelt of tot stand komt. |
| Op gespannen voet staan met | Wanneer twee zaken (waarden, belangen) niet gemakkelijk naast elkaar kunnen bestaan omdat ze tegenstrijdig zijn. |
Bij vragen over dit rapport: